• Steven Matheï

Verenigingswerk : hoe zit dat nu?



11 essentiële vragen & antwoorden over de nieuwe regeling “verenigingswerk”


1. Wat is “verenigingswerk”?


Het verenigingswerk of het “blijklussen”, is een systeem waarbij socioculturele – en sportverenigingen en openbare besturen op een makkelijke manier mensen vergoeden die bepaalde diensten leveren aan de vereniging of het lokale bestuur.


Dit systeem houdt eigenlijk het midden tussen enerzijds vrijwilligerswerk (waarbij een vereniging of lokaal bestuur een kostenvergoeding kan betalen aan de vrijwilliger) en anderzijds échte (reguliere) tewerkstelling.


Voorbeeld:

Een sporttrainer ontvangt per maand (12 trainingen) een vergoeding van 480 euro van de sportclub. Dit bedrag wordt niet belast in hoofde van de sporttrainer.


2. Wat hield de oude regeling (de regeling tussen 2018 en 31.12.2020) rond het verenigingswerk in?


Sinds 15 juli 2018 kon wie in zijn vrije tijd tegen betaling bijklust tot 6.340 euro per jaar bijverdienen zonder belastingen of sociale bijdragen te betalen.

Aan dit systeem waren wel heel wat voorwaarden verbonden. Deze diensten mogen niet professioneel zijn en moeten voorkomen op een lijst van toegelaten activiteiten (in een wet opgesomd). Daarnaast moesten verenigingswerkers minsten 4/5 werken, enz.


3. Waarom een nieuw systeem?


In april van dit jaar vernietigde het Grondwettelijk Hof de zogenaamde “bijkluswet”, een wet waarin het verenigingswerk was geregeld. Men oordeelde dat het onbelast bijverdienen in strijd is met het beginsel van gelijkheid of niet-discriminatie o.a. omdat de sociale en fiscale vrijstelling zorgt voor oneerlijke concurrentie met zelfstandigen en werknemers die dezelfde activiteiten uitoefenen. Door deze vernietiging van het Grondwettelijk Hof houdt het verenigingswerk zoals we dat vandaag kennen op 1 januari 2021 op te bestaan.


Het was belangrijk snel te zoeken naar een alternatief voor verenigingswerk want in ons land werden er vorig jaar maar liefst 28.617 aangiftes van verenigingswerk gedaan. Het grootste deel van de aangiftes (16183) kwam van sporttrainers, -lesgevers, -coaches, jeugdsportcoördinatoren en scheidsrechters. Om te vermijden dat zij opnieuw (zoals voor 15 juli 2018) de volle pot RSZ-bijdragen en belastingen zouden moeten betalen, werd er gezocht naar een alternatief:

Een eerste voorstel waarbij enkel de vereniging 10% sociale bijdragen zou moeten betalen, botste op zoveel kritiek van de Raad van State dat er gezocht werd naar een tijdelijk alternatief met een geldigheidsduur van 12 maanden.

Dat alternatief is intussen goedgekeurd. Let op: dat alternatief geldt voor 1 jaar, intussen wordt er een definitieve regeling uitgewerkt.


4. Wie kan voortaan actief zijn als verenigingswerker?


Vanaf 1 januari 2021 moet men minstens 18 jaar oud zijn om in aanmerking te komen voor verenigingswerk.


De vroegere regel stelde dat men minstens 4/5e moest werken (tenzij gepensioneerd). In het nieuwe systeem is dit niet meer verplicht. De verenigingswerker moet nog steeds aan het werk (of gepensioneerd) zijn, maar het is niet meer nodig minstens 4/5e tewerkgesteld te zijn.


Voorbeeld:

Michel is voltijds baas van de lokale supermarkt. Marijke is halftijds tewerkgesteld als kassierster in diezelfde supermarkt. In de vroegere regeling kon enkel Michel beroep doen op het statuut van verenigingswerk (nl. minstens 4/5de werken). In de nieuwe regeling kan Marijke ook beroep doen op het statuut van verenigingswerk.


Wie werkloos is, in het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) zit of wie een invaliditeitsuitkering krijgt, kan onder bepaalde voorwaarden een akkoord krijgen van de RVA of van de adviserend geneesheer om aan verenigingswerk te doen.


Men kan, net zoals voorheen, geen verenigingswerk uitvoeren in de organisatie waar men ook tewerkgesteld is of de afgelopen 12 maanden tewerkgesteld was. Wanneer men gepensioneerd is, geldt deze regel van 12 maanden niet. Een gepensioneerde moet dus geen 12 maanden wachten om als verenigingswerker aan de slag te gaan in de organisatie waar men werkte.


Hoe zit het met de combinatie van het nieuwe verenigingswerk en vrijwilligerswerk? Het is niet mogelijk om als verenigingswerker aan de slag te zijn in een organisatie waar men voor dezelfde activiteiten vrijwilligerswerk uitvoert.

Het is evenmin mogelijk dat een verenigingswerker actief is in een organisatie en diezelfde persoon voor andere activiteiten vrijwilligerswerk uitvoert met een forfaitaire kostenvergoeding.


Voorbeeld:

Louis is al jarenlang vrijwilliger in de kantine van FC Superbal. Hij mag voor diezelfde activiteit niet bijkomend actief zijn als verenigingswerker. Louis kan wel voor een andere activiteit (bv. terreinverzorger) verenigingswerker zijn. Voorwaarde is dan wel dat hij voor de vrijwilligersactiviteit (uitbating kantine) geen forfaitaire vrijwilligersvergoeding krijgt.


5. Voor welke activiteiten is het nieuwe verenigingswerk mogelijk?


Vanaf 1 januari 2021 is verenigingswerk enkel mogelijk voor activiteiten in de sportsector. Het gaat over volgende activiteiten:


  1. Animator, leider, monitor of coördinator die sportinitiatie en/of sportactiviteiten verstrekt;

  2. Sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester, seingever bij sportwedstrijden;

  3. Conciërge van sportinfrastructuur;

  4. Hulp en ondersteuning bieden op occasionele of kleinschalige basis op het vlak van het administratief beheer, het bestuur, het ordenen van archieven of het opnemen van een logistieke verantwoordelijkheid bij activiteiten in de sportsector;

  5. Hulp bieden op occasionele of kleinschalige basis bij het opstellen van nieuwsbrieven en andere publicaties (zoals websites) in de sportsector;

  6. Verstrekker van opleidingen, lezingen, presentaties en voorstellingen over culturele, artistieke en maatschappelijke thema’s in de sportsector.


(Wat als als een organisatie die voorheen gebruikt maakte van verenigingswerk niet actief is in de sportsector? – zie vraag 10)


6. Hoeveel mag men verdienen?


Er geldt nog steeds een maximum van 6.000 euro per jaar. In dit bedrag zitten ook de inkomsten die je kan hebben uit deeleconomie. Een eventuele opzegvergoeding wordt niet meegerekend. Men kan maximum 500 euro per maand verdienen. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd.


Nieuw: een organisatie mag de drempel van 200.000 euro voor verenigingswerk niet overschrijden. Dus de optelsom van de totale uitgaven aan verenigingswerk mag maximum 200.000 euro bedragen.


Nieuw: er geldt nu ook een minimumloon van 5 euro/uur (3,57 euro/uur gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100)).


7. Hoeveel uren mag men aan verenigingswerk doen?


Een verenigingswerker kan maximaal 50 uur verenigingswerk per maand verrichten. De gemiddelde maandelijkse duur wordt niet meer berekend per kalenderjaar, maar per kwartaal.


De uren moeten schriftelijk vastgelegd worden in een wekelijks of maandelijks vast of variabel rooster. Bij een variabel rooster moet de verenigingswerker telkens ten minste 5 dagen voor de klus worden ingelicht. Na 6 uur moet er steeds een pauze van 15 minuten zijn, tussen prestaties op verschillende dagen moet er minstens 11 uur rust zijn en binnen elke 7 dagen moet er minimum een rusttijd van 24 uur zijn.


8. Moet men een overeenkomst afsluiten?


Ook in het nieuwe systeem moet er een overeenkomst afgesloten worden tussen de organisatie en de verenigingswerker. Dit moet een schriftelijke overeenkomst zijn van maximum één jaar.

Nieuw is dat dezelfde verenigingswerker en dezelfde organisatie maximum 3 overeenkomsten per jaar kunnen sluiten.


Een overeenkomst kan nog steeds (tijdelijk) geschorst worden (o.a. o.w.v. tijdelijke overmacht, zwangerschaps- en bevallingsrust, ziekte of ongeval, …). De regels rond onderbreking voor zwangerschaps- en bevallingsrust werden verstrengd. Een overeenkomst kan geschorst worden één week voor de vermoedelijke bevallingsdatum en negen weken na de bevalling.


Er zijn voortaan specifieke regels voor de beëindiging van de overeenkomst door opzegging. Er geldt een opzegtermijn en de duur hiervan is afhankelijk van de duur van de overeenkomst:


  • Bij overeenkomsten van minder dan zes maanden: opzegtermijn van minstens 7 kalenderdagen

  • Bij overeenkomsten van zes maanden tot één jaar: opzegtermijn van minstens 14 kalenderdagen.


Men kan niet overeenkomen om een kortere opzeggingstermijn toe te passen, maar wel om een langere opzeggingstermijn toe te passen.


De overeenkomst beëindigen zonder opzeg kan bij dringede redenen. Er moeten dan drie voorwaarden vervuld zijn:


  • Er moet een ernstige tekortkoming zijn van de organisatie of de verenigingswerker

  • Die elke samenwerking onmogelijk maakt

  • En dit op een bijzonder manier, meer bepaald onmiddellijk en definitief


Als de overeenkomst vroegtijdig wordt beëindigd door de organisatie of de verenigingswerker zonder een dingende reden en zonder naleving van de opzeggingstermijn, dan is de organisatie of de verenigingswerker een forfaitaire verbrekingsvergoeding verschuldigd. Die wordt vastgesteld in functie van de duur van de overeenkomst:


  • 132,08 euro (geïndexeerd) bij een overeenkomst van minder dan 6 maanden

  • 264,17 euro (geïndexeerd) bij een overeenkomst van 6 maanden tot een jaar


9. Hoeveel belastingen moeten er door wie betaald worden?


Vanaf 1 januari 2021 geldt er een tarief van 10%, betaald door de verenigingswerker. Dit tarief is ook van toepassing op een eventuele opzegvergoeding. Het is belangrijk om het maximaal bedrag dat men mag verdienen met verenigingswerk niet te overschrijden want dat zou tot gevolg hebben dat men niet meer kan genieten van het gunstig fiscaal regime van 10%. Het hele bedrag zou dan worden gezien als beroepsinkomen en belast worden aan 40-45%.

Er wordt momenteel nog onderzocht op welke manier de aangifte moet gebeuren.


10. Hoeveel sociale bijdragen moeten er door wie betaald worden?


Vanaf 1 januari 2021 moeten er 10% solidariteitsbijdragen betaald worden door de vereniging of organisatie. Dit tarief is ook van toepassing op een eventuele opzegvergoeding. Het is belangrijk om het maximaal bedrag dat men mag verdienen niet te overschrijden want dat zou tot gevolg hebben dat men niet meer kan genieten van dit gunstig sociaal regime van 10%. Het hele bedrag zou dan worden gezien als beroepsinkomen en men dan bijzondere werknemersbijdragen van 38,07% moet betalen.

Er wordt momenteel nog onderzocht op welke manier de aangifte moet gebeuren.


11. Wat als een organisatie die voorheen gebruikt maakte van verenigingswerk niet actief is in de sportsector?


Vanaf 1 januari 2021 is verenigingswerk enkel mogelijk voor activiteiten in de sportsector. Andere verenigingen, VZW’s en openbare besturen die vandaag wel nog gebruik maken van verenigingswerk, kunnen vanaf 1 januari 2021 geen gebruik meer maken van het systeem.


Deze organisaties kunnen eventueel volgende zaken overwegen:

  • Werken met vrijwilligers en vrijwilligersvergoedingen

Een vrijwilligersvergoeding is geen loon. Men voorziet een reële kostenvergoeding (vrijwilliger moet teruggevorderde kosten bewijzen) of een gewone forfaitaire kostenvergoeding, eventueel aangevuld met een beperkte kilometervergoeding.

  • Gebruik maken van de kleine vergoedingsregeling voor artiesten en kunstenaars (KVR).

Voor kleinschalige artistieke activiteiten kunnen artiesten en kunstenaars uitbetaald worden via de KVR. Dit wordt beschouwd als een terugbetaling van de kosten waardoor men 30 keer per jaar en onder bepaalde voorwaarden vrij van sociale bijdragen en belastingen kan vergoeden.

  • Gebruik maken van freelancers

Er bestaan platformen zoals ‘Tentoo’ die tegen een bepaalde kost alle administratieve verlichtingen op zich nemen.

  • De vroegere verenigingswerker in dienst nemen en vergoeden als werknemer

  • Beroep doen op de vroegere verenigingswerker die actief is als zelfstandige (via factuur)

346 keer bekeken0 reacties

 

Contact opnemen

0032 486 05 49 86

Volgen

©2019 verenigingacademie - Steven Matheï